Japie (8 jaar) ging op een stoel zitten en zei dat er toch niets aan zijn probleem te doen was. Zo was het nou eenmaal en hij kwam er niet meer vanaf. Eindeloos praten wilde hij, de eerste sessie, de tweede sessie. De derde sessie gingen we met blokjes spelen en werd het ineens een ander kind. ‘Weet je nog toen je op die stoel zat?’, vroeg ik op dat moment. ‘Toen was je een praatjongetje dat alles moeilijk vond. En nu ben je een speeljongetje dat creatief is.’ Ik vroeg hem voor beide jongetjes een knuffel uit te kiezen. Voor het speeljongetje koos hij een sterke knuffel en voor het praatjongetje een kleine verdrietige knuffel. Beide knuffels zette hij zo neer dat ze ieder een andere kant uitkeken. ‘Dat is ook wat’, zei ik, ‘die kleine weet niet dat die sterke er is’.
Jimmy (13) zegt dat hij faalangst heeft. Bij wiskundeles wordt hij duizelig en krijgt zweet in zijn handen. Hij denkt dan ‘ik weet het niet meer, ik weet het niet meer’. Ik vraag hem een tekening over zichzelf te maken. Ook dan weet hij het niet meer. We gaan een spelletje doen en laten de tekening even rusten. Onder het spelen vraag ik langs mijn neus weg ‘goh, wat zit er eigenlijk allemaal in jouw tekening?’ Jimmy antwoordt ‘er moet een brug komen’. ‘Okay’, zeg ik, dus dat weet je dan alvast’’. Hij ontspant tijdens het spel en weet dan als vanzelf hoe het verder moet met de tekening. Door deze ervaring ontdekt Jimmy spelenderwijs dat hij met ‘ik weet het niet, ik weet het niet’ heel erg in zijn hoofd bezig is. Door niet te denken maar iets te gaan doen ontspant hij en komen de oplossingen vanzelf.